Johanna Reiss: ‘Laat nooit iemand voor jou gaan denken’

lezingjohannareissdoor Jan Ruesink

WINTERSWIJK – “Volg nooit iemand die zegt: ik zal wel voor jullie denken; iemand die zegt: het gaat slecht en ik weet de oorzaak daarvan; die een groep aanwijst en zegt: die moeten weg, die ga ik doodmaken, dan zijn jullie problemen opgelost”. Met deze krachtige woorden nam de 84-jarige schrijfster Johanna Reiss, in 1932 in Winterswijk geboren als Annie de Leeuw, gistermiddag afstand van alles wat met dictatuur, populisme en veemdelingenhaat te maken heeft. Reiss moest als joods meisje in de Tweede Wereldoorlog onderduiken en schreef daar later de internationale bestseller The Upstairs Room over. Nog steeds trekt ze de hele wereld over om haar verhaal te vertellen en haar kruistocht tegen haat te voeren: “Haat verspreidt zich veel te snel, sneller dan liefde”, waarschuwde ze. Gisteren werd ze in Winterswijk om haar inspanningen beloond met de erepenning van haar geboorteplaats.

Foto: Johanna Reiss voor een foto van het huis in Usselo waar ze ruim twee jaar ondergedoken zat met haar zus Sini.

Reiss, die al een halve eeuw in New York woont, vertelde gisteren voor scholieren van het Gerrit Komrij College en belangstellenden – onder wie vier jeugdkennissen van haar – dat veel mensen tegenwoordig weer generaliseren, mensen beoordelen op hun ras, uiterlijk, geloof of wat dan ook. “Niet doen, niet zo denken”, maande ze scherp. “Een andere huidskleur, een andere religie, het komt er niet op aan, accepteer een ander mens zoals die is. Mensen vragen mij weleens: wat zou ik gezegd hebben als ik Hitler zou ontmoet hebben? Nou, ik zou in de eerste plaats geen meneer Hitler hebben gezegd, maar Hitler, ik vind je haardracht niet zo mooi en je hebt een raar snorretje, maar is dat een reden dat je daarom dood moet? Nee, toch? Mijn enige zonde was dat ik geboren was in een joods gezin. Is dat een reden om iemand dood te maken?”.

De opmerkelijk vieve schrijfster boeide de zaal anderhalf uur lang met haar verhalen over haar onderduiktijd en haar leven daarna.  Vooral haar schets over Johan en Dientje Oosterveld, het Usselose echtpaar waar ze twee jaar, zeven maanden en een paar dagen (‘duizend dagen, duizend nachten’) ondergedoken was, was een prachtig en diep menselijk verhaal. Johanna vertelde dat de stoere Johan er zelfs lol in had dat ze twee joodse meisjes verborgen hielden voor de Duitsers. Een televisieploeg vroeg hem vele jaren later waarom hij twee totaal onbekende meisjes met gevaar voor eigen leven in huis had genomen. ‘Omdat ze anders dood waren gegaan’, luidde zijn nuchtere verklaring. Maar, zo vertelde Johanna gisteren, zijn vrouw Dientje met wie hij geen erg gelukkig huwelijk had, had daar een heel andere visie over: “Maar Johan, je was toch bang dat anders Hannink (de huisbaas die onderduikers overal onderbracht, red.), anders de huur zou verhogen of het huis niet weer  goed in de verf zou zetten?”

Daarmee gaf ze tegelijk aan hoe lastig begrippen als held en goed en kwaad zijn: “Mij is ook wel gevraagd of ik onderduikers zou hebben geholpen. Ik weet het niet. Je weet nooit wat je doet tot je ermee geconfronteerd wordt”.